Dat een goede ventilatie van belang is om uitbraken van COVID-19 te voorkomen was al langer gekend. Er zijn echter steeds meer aanwijzingen dat een goede controle van de relatieve luchtvochtigheid van het binnenklimaat eveneens cruciaal is. Duitse en Indische onderzoekers evalueerden 10 studies over de impact van luchtvochtigheid op de overleving van, de verspreiding van en de besmetting door virussen die via de lucht overgedragen worden waaronder het griepvirus, SARS-CoV-1, MERS en SARS-CoV-2.

Lage relatieve vochtigheid is goed nieuws voor virussen

Door een lage relatieve vochtigheid zullen grotere vloeistofdruppels met virus die bij het niezen en praten vrijkomen, sneller uitdrogen. Daardoor worden die aanvankelijk zwaardere druppels snel lichter en kunnen ze voor langere tijd in de lucht blijven zweven. We spreken dan van aerosolen. Voor het virus zelf lijken de overlevingskansen in de druppels ook te stijgen bij een lagere relatieve luchtvochtigheid.

Naast het beter transport naar een volgende gastheer, is de lage relatieve vochtigheidsgraad in een binnenruimte ook slecht nieuws voor de afweer van die volgende gastheer. Onze eerste afweer tegen virussen zit in de slijmlaag die onze luchtwegen bekleedt. In normale omstandigheden komen indringers in die slijmlaag vast te zitten en trilhaartjes werken het slijm richting keel waar we ze wegslikken. Hoe droger de lucht, hoe dunner de slijmlagen zijn en hoe slechter de transportbandfunctie van de trilhaartjes die het slijm weer moeten afvoeren. Als gastheer is onze eerste afweer dus verzwakt bij een lage relatieve luchtvochtigheid.

Impact van ventilatie op het coronavirus

Bij start van de COVID-19 epidemie werd al gewezen op het belang van een voldoende ventilatie. Een goede ventilatie zorgt er voor dat er niet te veel virusbeladen aerosolen in de binnenruimte blijven hangen en anderen over een grotere afstand of gedurende een langere periode kunnen besmetten. Nu komt daar dus nog een bezorgdheid bij.

Moderne gebouwen zuigen in de winter voor hun ventilatie koude buitenlucht aan en warmen die op. Het resultaat is een binnenklimaat met een lagere relatieve luchtvochtigheid en dat zorgt dus vermoedelijk voor hogere concentraties van virus deeltjes die blijven zweven in de binnenlucht.

Aangezien we in de winter het merendeel van onze tijd binnen doorbrengen, zowel op het werk als in ons sociaal leven, stelt zich een ernstig probleem wanneer de relatieve luchtvochtigheid binnen te laag wordt. Metingen tonen aan dat in heel wat gebouwen in de winter die relatieve vochtigheid onder de 40% ligt en soms zelfs met de 20% flirt. Bijkomend probleem is dat de ventilatie in de meeste publieke gebouwen, commerciële gebouwen, maar ook in residentiële gebouwen niet voorzien is van bevochtigers en dat is niet zomaar makkelijk op te lossen. In je eigen woning kan je de vochtigheidsgraad in een bepaalde ruimte wel makkelijker verhogen door gebruik te maken van een mobiele bevochtiger. Om het probleem op een grotere schaal aan te pakken zouden ventilatiesystemen uitgerust moeten worden met bevochtigers en zouden de binnenruimtes ook uitgerust moeten worden met sensoren voor het meten van de relatieve vochtigheid. Een ideale luchtvochtigheid situeert zich tussen de 40 en 60% maar te hoog mag je natuurlijk ook niet gaan want dan worden de binnenruimtes gevoelig voor schimmelvorming. Bovendien moet de bevochtiging goed werken en gecontroleerd worden om legionella besmettingen te voorkomen.

Een gelijkaardig effect treedt op wanneer in de zomer de airconditioning ingeschakeld wordt op warme tropische dagen. Dat resulteert in een aangenamere binnentemperatuur maar doet ook de relatieve luchtvochtigheid binnen dalen.