Met de betonstop wil Vlaanderen vanaf 2040 geen nieuwe open ruimte meer aansnijden voor nieuwbouwprojecten. Anderzijds is er volgens het Planbureau van nu tot 2030 een grote nood aan bijkomende woongelegenheden. Gemeenten zullen dus moeten inzetten op ruimtelijke verdichting. Het probleem is dat de regelgeving daar soms dwars ligt: voorschriften in een bijzonder plan van aanleg (BPA), in een algemeen plan van aanleg (APA) of in een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) laten dergelijke verdichting soms niet toe.

Regels afstemmen op nieuwe noden

Kan een gemeente dergelijke plannen dan niet aanpassen? Toch wel, maar tot nu toe moest de gemeente hiervoor een nieuw RUP opmaken en dat is een dure, lange en complexe procedure. Vorig jaar werd al een eerste versoepeling ingevoerd door het feit dat men geen rekening meer moet houden met verkavelingsvoorschriften of voorschriften in BPA's die ouder zijn dan 15 jaar.

Vanaf 7 maart 2019 treedt een bijkomende vereenvoudiging in werking. Vanaf dan zullen gemeenten via een light-procedure de stedenbouwkundige voorschriften uit een BPA, een APA of een gemeentelijk RUP kunnen herzien of opheffen.

Light-procedure enkel mogelijk voor bepaalde voorschriften

De vereenvoudigde procedure laat niet toe om elk voorschrift uit een BPA, APA of gemeentelijk RUP te herzien of op te heffen. Enkel herzieningen of opheffingen die bijdragen aan een kwalitatieve verhoging van het ruimtelijk rendement of aan ingrepen gericht op energiebesparing komen in aanmerking. Meer specifiek gaat het over voorschriften die te maken hebben met  

  • de perceelsafmetingen,
  • de maximaal mogelijke vloerterreinindex,
  • het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel,
  • de afmetingen en de inplanting van constructies,
  • het aantal bouwlagen,
  • de dakvorm en de gebruikte materialen,
  • de binnenplaatsen, de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken,
  • de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen,
  • de parkeergelegenheden.

Voorts zijn er ook nog een aantal beperkingen die te maken hebben met het feit dat de herziening of opheffing:

  • voor het gebied waarop ze betrekking heeft, niet tot gevolg kan hebben dat de oppervlakte aan openbare groen- of recreatievoorzieningen kleiner wordt,
  • geen afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie tot gevolg kan hebben,
  • niet kan worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften die afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie,
  • moet stroken met de opties van, al naargelang het geval, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk beleidsplan ruimte.