Wie in Vlaanderen een stedenbouwkundige vergunning, een verkavelingsvergunning of een omgevingsvergunning aanvraagt moet in bepaalde gevallen een archeologisch vooronderzoek laten uitvoeren. Zo’n vooronderzoek moet door een erkend archeoloog gebeuren en resulteert in een archeologienota.

De invoering van de archeologienota moet ervoor zorgen dat de kans dat bouwwerkzaamheden ons archeologisch erfgoed beschadigen verkleint. Op zich een nobel doel maar de archeologienota in zijn oorspronkelijke vorm bleek zowel  financieel als op planningsgebied een negatieve impact te hebben op bouwprojecten.

De erkende archeologen bleken snel overbevraagd en het feit dat het Agentschap Onroerend Erfgoed heel wat archeologienota’s afkeurde omdat ze niet voldeden aan de Code van Goede Praktijk, leidde tot heel wat vertragingen.

Omdat de Code van Goede Praktijk geen optie voorzag voor projecten waarvoor het duidelijk was dat er geen archeologisch waardevolle vondsten gedaan zouden worden, zorgde dat zelfs kleine projecten aanleiding gaven tot een archeologienota van 60 tot 80 pagina’s. Naast de tijdsvertraging zorgde dat voor een buitenproportionele kost voor het opstellen van archeologienota’s.

De archeologienota met beperkte samenstelling

De archeologienota light of archeologienota met beperkte samenstelling werd in de Code van Goede Praktijk 2.0 geïntroduceerd. Wanneer bouw- of verkavelingswerken nagenoeg zeker geen impact zullen hebben op het archeologisch erfgoed dan volstaat de archeologienota light. Dat is goed nieuws voor bouwers, verbouwers en opdrachtgevers want een archeologienota met beperkte samenstelling vergt minder tijd om op te stellen en is dus ook goedkoper.

De archeologienota light vervangt de gewone archeologienota wanneer aan één van volgende voorwaarden voldaan is:

  • er is met absolute zekerheid geen archeologisch erfgoed aanwezig is op het onderzochte terrein,
  • de toekomstige werken zullen met absolute zekerheid geen verstoring veroorzaken aan het eventueel aanwezige archeologische erfgoed,
  • verder onderzoek van het terrein in het kader van de toekomstige werken zal met absolute zekerheid niet leiden tot nuttige kenniswinst.