Sedert 1 juni 2016 moet de aanvrager van een bouwvergunning in bepaalde gevallen een bekrachtigde archeologienota toevoegen aan zijn vergunningsaanvraag. Concreet betekent dit dat de bouwheer in die gevallen verplicht een archeoloog onder de arm moet nemen. De archeoloog zal dan eerst via bureauonderzoek en indien nodig nadien via veldonderzoek, nagaan of het risico bestaat dat de geplande bouwactiviteit archeologisch erfgoed zou beschadigen. De conclusies van zijn onderzoek worden gebundeld in een zogenaamde archeologienota die toegestuurd moet worden naar het agentschap Onroerend Erfgoed. Als alles volgens de regels van de kunst verliep, zal het agentschap Onroerend Erfgoed de archeologienota bekrachtigen en het is die bekrachtigde archeologienota die je bij je bouwaanvraag moet voegen.

Zoals we eerder al berichtten dreigde het fout te lopen met de archeologienota en daarom besloot de Vlaamse regering onlangs om vanaf 1 januari 2017 onderstaande aanpassingen door te voeren.

Inperking bureauonderzoek: archeologienota light

Soms kan de erkende archeoloog op basis van de geplande bodemingreep vrij snel concluderen dat er op erfgoedgebied geen verdere maatregelen te nemen zijn. Toch moest de archeoloog ook in die gevallen een uitgebreide archeologienota opstellen volgens de regels van de kunst en die regels zijn vastgelegd in de “Code van Goede Praktijk”. Dat leidde tot heel wat wrevel bij bouwheren omdat die de logica niet langer snapten. Daarom zal het deel in de “Code van Goede Praktijk” dat handelt over het bureauonderzoek en de bijhorende rapportering aangepast worden. Wanneer aan één van volgende voorwaarden voldaan is dan zal een “light” versie van de archeologienota volstaan:

  1. er is aantoonbare zekerheid dat er geen archeologisch erfgoed aanwezig is of
  2. er is aantoonbare zekerheid dat de werken waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd nooit impact hebben op eender welk eventueel aanwezig archeologisch erfgoed of
  3. er is aantoonbare zekerheid dat een archeologische opgraving nooit leidt tot nuttige kenniswinst.

Waar mogelijk worden ook de verplichtingen tot detaillering in de archeologienota versoepeld en zal er meer flexibiliteit bij het opstellen toegelaten worden. Tot slot zullen de archeologen zelf in bepaalde gevallen de toelating krijgen om specifieke onderdelen van het onderzoek zelf uit te voeren in plaats van de hulp in te moeten roepen van een zogenaamde aardkundige.

Bekrachtiging archeologienota losgekoppeld van evaluatie archeologen

Bij de beoordeling van de archeologienota’s besteedde het agentschap Onroerend Erfgoed veel aandacht aan details en bepaalde vormelijke aspecten van de archeologienota. Het agentschap beoordeelde dus niet alleen of de conclusie en motivering van de nota juist zaten maar beoordeelde meteen ook de archeoloog zelf. Dat leidde soms tot weigeringen van archeologienota’s op basis van details die geen verband of impact hadden op de eigenlijke conclusie van de nota. De bekrachtiging zal daarom vanaf nu plaatsvinden wanneer elk van volgende drie vragen positief beantwoord wordt door het agentschap Onroerend Erfgoed:

  1. is de door de erkende archeoloog doorgevoerde inschatting van de archeologische waarde van het onderzochte gebied plausibel en gemotiveerd onderbouwd,
  2. is het daaruit voortvloeiende programma van maatregelen dat de erkende archeoloog vooropstelt adequaat en
  3. is het programma van maatregelen begrijpelijk voor en uitvoerbaar door derden.

Los daarvan zal het agentschap op basis van meerdere archeologienota’s de kwaliteit van de output van erkende archeologen opvolgen.

Snellere aanpassing gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt

Als de kaarten van de Vlaamse overheid aangeven dat er geen archeologisch erfgoed te verwachten valt op de plaats waar gebouwd zal worden dan is een archeologienota niet nodig. Tot op heden werd deze informatie echter traag bijgewerkt. Er komt nu een procedure die het bijwerken van de betrokken gebieden moet versnellen zodat feitelijk overbodige archeologienota’s vermeden kunnen worden.

Het betreft hier een eerste bijsturing van de nieuwe onroerenderfgoedregeling maar de overheid engageert zich alvast tot een uitgebreide evaluatie tegen midden 2017.